Verenigingen

Plasticsoep

KVCV |
Duurzaamheid & Energie, Materialen & Coatings, Milieu

Ook plastic valt vroeg of laat uit elkaar. Wat voor effect heeft dat op het milieu, in het bijzonder op het zeeleven, en onze gezondheid? En in hoeverre is bioplastic een duurzaam alternatief?

Wandelend langs ons Noordzeestrand vond ik een glazen fles, aangespoeld samen met een massa jongere plastic exemplaren. Er zat wel geen briefje in de fles, maar die hele troep sprak wel boekdelen. Per kilometer kon men er vele vuilniszakken mee vullen. En wat een beeld moeten dan de megatonnen aan drijvend plastic zijn welke door zeestromingen, passaatwinden en corioliskrachten zijn samengedreven tot drijvende eilanden in de oceanen. Visueel wel een indrukwekkend plaatje maar dit is amper een derde van de ganse plasticsoep, immers vele plastics zinken in zeewater (met een dichtheid van 1,02). Doe maar eens een test met een stripje PET, PVC of teflon bijvoorbeeld.

Algemeen heeft men het idee dat plastics niet kapotgaan tenzij het zogenoemde ‘bio’-polymeren zijn. Inderdaad, vele plastics zijn niet te composteren en vinden we jaren later onveranderd op een vuilnisbelt terug. Toch gaan alle polymeren vroeg of laat wel fragmenteren, eerst tot microdeeltjes en uiteindelijk tot nano-deeltjes – de entropiewet is onverbiddelijk. De laatste decennia is duidelijk gebleken dat de gevaarlijkste vervuiling schuilt in deze afbraakproducten. Wordt de plasticsoep een nieuw mondiaal milieuprobleem?

Oorzaken

We ervaren zelf wel dat inerte plastics zoals PVC en PE na een tijdje bros worden en in stukken breken. Daar zijn twee hoofdoorzaken voor. Ten eerste het langzaam uitlogen van de weekmakers welke in deze harde plastics werden verwerkt. Ftalaten en fenolderivaten (onder andere het beruchte bisfenol A) of PCB’s en resten van monomeren zijn de voornaamste polluenten. En ten tweede zorgt zonlicht voor fotochemische reacties op praktisch alle polymeren. Deze vorm van afbraak kan evenwel in zeewater niet efficiënt zijn.

Ook het hydrofoob karakter van zuivere polykoolwaterstoffen doet vermoeden dat hun afbraak in zeewater wel honderd jaar kan duren. Voor polymeren met polaire functies als bijvoorbeeld esters en amiden zal dit zeker veel sneller gaan. Naast gewone hydrolysereacties zullen ook micro-organismen de polaire functionele groepen als ankerplaatsen benutten voor hun enzymatische afbraak.

De vermelding ‘biologisch-afbreekbare plastic’ is op verpakkingsmateriaal een reclamebord geworden. Hoe geruststellend is deze boodschap? Bij copolymeren van petroleumproducten samen met biologisch materiaal (bijvoorbeeld zetmeel en cellulose) verloopt de compostering door micro-organismen veel vlotter, want die hebben hier goed vat op. Wettelijk is voor het label ‘biologisch afbreekbaar’ de termijn van afbreekbaarheid per land bepaald. In Nederland bijvoorbeeld moet na 3 à 6 maanden composttijd 60 tot 90% zijn afgebroken, althans in voorgeschreven omstandigheden. De populaire draagtassen uit maiszetmeel vallen hier dus onder.

Beperkte duurzaamheid

Een ander veel gebruikt polymeer komt van het epsilon-caprolacton. Het is een zeer flexibele folie en goede vervanger van het PE. En zijn gebruik als verteerbare hechtdraad in de chirurgie verwijst duidelijk naar de korte levensduur van dit soort polymeer.

Biologische kunststoffen zijn biopolymeren welke in principe alleen van hernieuwbaar biomateriaal worden gemaakt. De duurzaamheid van deze plastics is beperkt doch als verpakkingsfolie voor fruit of andere voedingswaren is dit geen probleem. Immers zijn ook deze producten beperkt houdbaar. Een belangrijk voorbeeld hiervan is polymelkzuur (PLA). Het melkzuur is een gistingsproduct van suikers of zetmeel uit onder andere mais. Het PLA vormt een vrij gasdichte folie, herkenbaar aan zijn knisperend effect. Ook de verpakkingsdoosjes in PLA met bijvoorbeeld aardbeien liggen in menig supermarkt.

Actueel buigt de Europese Voedsel en Veiligheidsautoriteit (EFSA) zich over het probleem van de plasticsoep en zijn toenemende vervuilende bestanddelen in onze voedselketen. In vissen treft men vaak hoge concentraties microplastics aan in maag en darmen. Geen echt probleem want deze worden verwijderd wanneer de vis wordt gereinigd. Anders is het gesteld bij schaaldieren zoals mosselen en oesters welke we met haar en huid opeten. Het doet de mosseleter of liefhebber van een zeetongetje wel schrikken als hij verneemt dat deze diertjes de gezonken micro- en nano-plasticdeeltjes ook lekker vinden, gekruid door algengroei en allerlei micro-organismen.

Toch verdachte stoffen

In hoeverre de portie plastic die we aldus verorberen schadelijk is voor de gezondheid is nog onduidelijk. De hoeveelheid aan afbraakproducten is relatief klein vergeleken met deze van andere bronnen die we dagelijks te slikken krijgen. Maar sommige stoffen komen toch in het bloed terecht. Weekmakers (bijvoorbeeld ftalaten in PVC), antioxidantia (bijvoorbeeld tributylhydroxytolueen in PE) of restanten van monomeren zijn toch verdachte stoffen. Het label ‘bio’ is zeker geen argument om deze plastics zonder schroom weg te gooien.

En tenslotte wat we van dieren kunnen leren: ik zag ooit in Varanasi (India) een heilige koe lekker smullen aan een hoop kartondozen maar de snoeper liet wel de delen met bedrukte etiketten liggen. 

Arsène Lepoivre
Deel deze pagina
KVCV

Lid worden van de KVCV? Ontdek de voordelen!

Naar boven